Hoek van Holland

Airco… Hoe zit dat?

DE WERKING VAN DE AIRCONDITIONING

De afzonderlijke onderdelen van uw airconditioning zijn met slangen en pijpleidingen met elkaar verbonden en vormen zo een gesloten systeem. In dit systeem circuleert het koudemiddel, aangedreven door een compressor.
In de compressor wordt het gasvormige koudemiddel gecomprimeerd en daardoor sterk verhit. Het wordt onder hoge druk door de condensor geperst. De condensor onttrekt daarbij warmte aan het sterk verhitte koudemiddel. Deze wordt afgegeven aan de rijwind en de luchtstroming die door de condensorventilator van het systeem wordt gecreëerd. Deze afvoer van warmte leidt ertoe dat het koudemiddel condenseert, wat wil zeggen dat het overgaat van een gasvormige naar een vloeibare toestand. De filterdroger, het volgende station, verwijdert verontreinigingen en ingesloten vocht uit het nu vloeibare koudemiddel. Daardoor wordt voorkomen dat componenten beschadigd raken en blijft de effectiviteit van het systeem gewaarborgd.
Na de filterdroger volgt de expansieklep. Deze klep kan worden vergeleken met een stuwdam. De klep zorgt dat vóór het klepventiel (dus vóór de stuwdam) een gelijkmatige druk in stand wordt gehouden, terwijl de druk na de expansieklep lager wordt door volumetoename. Omdat de expansieklep direct voor de verdamper is geplaatst, vindt de drukafname van het koudemiddel plaats in de verdamper. Bij het verdampen, dus bij de verandering van vloeibare naar gasvormige toestand, ontstaat kou door verdamping. De verdamper is dus een warmtewisselaar, net zoals de condensor. De verdamper heeft een zeer groot oppervlak, dat ervoor zorgt dat de verdampingskou wordt afgegeven aan de omgeving. Deze afgegeven kou wordt vervolgens door het ventilatiesysteem in het interieur van het voertuig geblazen, waar het zorgt voor een prettige omgeving voor de passagiers. Bij het verdampen verandert ook de substantie van het koudemiddel weer van vloeibaar naar gasvormig en neemt de druk af. Dit gas stroomt nu door het lagedrukgedeelte van het circuit. Het gasvormige koudemiddel komt weer terug in de compressor.

HOE KAN IK DE AIRCONDITIONING HET BEST INSTELLEN?

Een airconditioning kan het hele jaar door worden gebruikt (voor het afkoelen in de zomer en voor het leveren van droge, warme lucht in de winter).
Zet de airconditioning aan en stel de verwarmingsregelaar in op “warm” om droge, warme lucht te krijgen. Zo stroomt er een aangenaam droge lucht in het voertuig en worden beslagen ruiten zeer snel weer condensvrij. Laat de lucht naar de voorruit stromen en kies de interne recirculatiefunctie om dit proces te versnellen (bij sommige voertuigfabrikanten is, afhankelijk van het systeem, het gebruik van recirculatie bij ingeschakelde airconditioning en een naar de voorruit gerichte luchtstroom niet mogelijk). Zet de ventilator op de hoogste stand en deactiveer de recirculatiefunctie na korte tijd weer. Bij sommige automerken wordt, afhankelijk van het systeem, de airconditioning echter bij temperaturen onder +4 °C automatisch uitgeschakeld.

Maakt u zich geen zorgen als u in de zomer bij het parkeren natte plekken onder uw auto vindt (indien uw airconditioning ingeschakeld is geweest). Dit is normaal en een direct gevolg van het gebruik van uw airconditioning. Het gaat om condenswater, dat van het verdamperoppervlak naar buiten wordt afgevoerd.

Meer informatie over de bediening en bijzonderheden van uw airconditioning kunt u vinden in het instructieboekje van uw auto.

WAAROM KAN IK HET BEST IN DE SCHADUW PARKEREN?

Parkeer uw auto op zonnige dagen, indien mogelijk, op een schaduwrijke plek. Als u uw auto op een hete, zonnige dag in de zon laat staan, kan de temperatuur in de auto oplopen tot wel 60 °C.
Met enkele kleine handelingen zorgt u snel voor een aangenaam klimaat:

  • Zet bij aanvang van de rit de airconditioning en de ventilatie op maximaal en recirculatie.
  • Rijd de eerste minuten met geopende ramen, zodat de restwarmte door de rijwind sneller naar buiten kan verdwijnen.
  • Zet voor aanvang van de rit eerst de auto deuren wijd open zodat de eerste opgehoopte hitte kan verdwijnen.

WELKE TEMPERATUUR IS IDEAAL?

De airconditioning zorgt voor een daling van zowel de temperatuur als de luchtvochtigheid in de auto. Om gezondheidsredenen dient de binnentemperatuur maximaal 5 tot 6 graden onder de buitentemperatuur te liggen (met een aanbevolen minimale temperatuur van 22 °C). Dit voorkomt de zogenaamde ‘klap’ van de warmte bij het uitstappen na een koele rit.

HOE KAN DE AIRCONDITIONING EFFICIËNT WORDEN GEBRUIKT?

U kunt uw airconditioning 365 dagen per jaar gebruiken.
In het voorjaar en in de zomer om te koelen.

  • In de schaduw parkeren
  • Vóór de rit: portieren kort geopend laten
  • Bij aanvang van de rit: airconditioning en ventilatie op het maximum
  • Rijd de eerste minuten met geopende ramen/schuifdak
  • Stel na enkele minuten de airconditioning in op de gewenste temperatuur en ventilatorstand
  • Laat de binnentemperatuur niet lager dan 22 °C komen
  • Schakel de airconditioning 5 minuten voor het einde van de rit uit, zodat de verdamper als onderdeel van uw airconditioning kan drogen; hierdoor wordt het risico op bacteriën en micro-organismen verkleind.

In de herfst en winter tegen beslagen ruiten

  • Airconditioning inschakelen
  • Luchtstroom (verse lucht) op de voorruit richten
  • De recirculatie inschakelen (bij sommige auto’s is dit niet mogelijk, in combinatie met het bovengenoemde punt)
  • Zet de ventilator en de verwarming op maximaal
  • Schakel de recirculatiefunctie na enige tijd weer uit en stel de airconditioning weer in op de gewenste temperatuur en ventilatorstand.